De bliksemboom
De lucht boven de polder was zachtgrijs toen Bram zijn vliegenlijn over het water casten. Het water lag spiegelglad, omzoomd door wuivende rietkragen. Hij genoot van de stilte, alleen doorbroken door het zoemen van libellen en het plonsen van een vis die even boven kwam. Maar aan de horizon pakten wolken samen, donker en zwaar. Het duurde niet lang of de eerste donderslagen rolden over het land. Bram voelde het in zijn borstkas trillen. Hij twijfelde, keek naar het open water, en besloot wijselijk zijn spullen bijeen te rapen. Vissen met een carbonhengel in een open veld gaat het niet worden.
Hij haastte zich naar zijn auto, net toen de hemel openscheurde. Regen sloeg neer als spijkers, bliksem scheurde wit door de lucht. Daar zat hij, in zijn kleine schuilplaats, luisterend naar het bulderen dat eindeloos leek te duren. Minuten rekten zich uit als uren, tot het geweld langzaam wegebde. Toen hij terugkeerde naar zijn stek, was de polder veranderd.
De lucht was fris en kil, de aarde rook naar nat gras en ozon. En daar, vlakbij het water, stond een boom die hij altijd kende als een stille wachter. Nu was hij doormidden gespleten, de stam zwartgeblakerd, als een open wond in het landschap.
Nieuwsgierig liep Bram dichterbij. In de kloof die de bliksem had geslagen, glinsterde iets ongewoons. Geen hars, geen nat hout, maar iets dat fonkelde in het schemerlicht. Hij knielde neer, tastte voorzichtig, en trok een kleine kist tevoorschijn, oud en met ijzeren beslag. Met bevende vingers opende hij het deksel. Binnenin lagen munten, zwaar en dof van ouderdom, en een paar sieraden die schitterden alsof de tijd hen niet had aangeraakt. Een schat, verborgen in de boom, misschien al eeuwenlang. Bram keek om zich heen, alsof de polder getuigen had. De stilte was teruggekeerd, maar voelde nu beladen, alsof het land zelf hem iets had toevertrouwd. Hij glimlachte, legde zijn hengel naast zich neer en liet het geheim even bezinken. Het vissen was vandaag bijzaak geworden.
Bram bleef naar de kist staren, alsof zijn ogen hem voor de gek hielden. Hoe kon zoiets in een boom verborgen zijn, in een polder waar nooit iets gebeurde? Hij raakte een van de munten aan ze voelde koud, alsof ze de kilte van de bliksem zelf hadden vastgehouden.
Plotseling ging er een rilling door hem heen. Hij dacht aan de oude verhalen die zijn grootvader soms vertelde, over rovers die eeuwen geleden hun buit verstopten in het land, of over bliksembomen die als poorten dienden naar iets anders. Hij had er altijd om gelachen, maar nu, hier, met de geur van verbrand hout in zijn neus, voelde het alsof de grens tussen werkelijkheid en legende dunner was geworden.
Een zacht geruis trok zijn aandacht. Het was geen wind, want de lucht lag stil. Hij keek naar het water en zag cirkels vormen, alsof er iets onzichtbaars bewoog, net buiten zijn bereik. Het geluid leek te fluisteren, een melodie zonder woorden, maar die hem toch bekend voorkwam. Bram sloot het kistje haastig. Hij voelde dat hij het niet hier kon laten, maar hij wist ook dat het geen gewone vondst was. Toen hij opstond, leek de polder hem vreemd toe te lachen. De boom, gespleten maar nog rechtop, stond als een wachttoren die hem in stilte gadesloeg.
Met de kist stevig onder zijn arm liep hij terug naar zijn auto. Terwijl hij over het natte pad stapte, besefte hij dat de polder nooit meer hetzelfde zou zijn. Er zat een geheim in dit land, iets dat zich pas had prijsgegeven toen de hemel met al haar geweld had ingegrepen. Die nacht, thuis, kon hij niet slapen. Het kistje lag op tafel, de munten glinsterden zacht in het schemerlicht. Buiten klonk opnieuw gerommel in de verte, alsof de onweerslucht hem waarschuwde.
De volgende ochtend zat Bram met een zwaar hoofd aan zijn keukentafel. De kist stond nog altijd voor hem, alsof ze hem met onzichtbare draden vasthield. Hij had nauwelijks geslapen, telkens wakker geschrokken van dromen waarin bliksemscheuren bomen openspleten en stemmen uit het riet hem riepen. Hij besloot antwoorden te zoeken. In het dorpscafé waar vissers en boeren elkaar al generaties verhalen vertelden, bracht hij het terloops ter sprake. Niet dat hij over de kist sprak, nee, hij vroeg alleen of iemand ooit had gehoord van een gespleten boom na blikseminslag. De oude herbergier, een man met zilvergrijs haar en ogen die te veel hadden gezien, knikte langzaam. Dat is de Bliksemboom. Elke paar honderd jaar kiest de bliksem een boom om open te splijten. En soms vindt men er iets in.
Bram fronste zijn wenkbrauwen. Wat bedoelt u met iets? De herbergier boog zich naar hem toe en sprak zachter. De polder is jong, maar het land eronder is oud. Voor de drooglegging waren er rovers, smokkelaars, soms zelfs vreemde reizigers die hun schatten in het veen begroeven. Toen het water kwam, verdwenen ze. En toen de polder drooggelegd werd, nam het land hun geheimen mee. Men zegt dat de bliksem die geheimen terugbrengt. Maar pas op! wat het land geeft, kan het ook terugnemen. Bram voelde zijn hart sneller kloppen. Het klonk als een fabel, maar hij wist beter de kist op zijn tafel was echt. Later die avond, toen hij door de polder terugliep om zijn gedachten te ordenen, leek de stilte anders. Het riet fluisterde met de wind mee, alsof de stemmen uit zijn dromen hem weer riepen. Bij de gespleten boom stopte hij. De stam was zwart en leeg, maar het voelde niet dood. Het was alsof het hout nog warmte uitstraalde van de bliksem die erin gevaren was. Hij legde zijn hand tegen het hout. In dat moment hoorde hij iets, niet met zijn oren maar van binnenuit Geef terug of leer de prijs kennen. Bram schrok achteruit. Was het verbeelding? Of de echo van oude legendes die nu in hem wortel schoten? Toen hij die nacht opnieuw wakker werd, stond de kist niet meer op tafel. Het was alsof ze zich verplaatst had. Hij vond haar in de gang, het deksel op een kier, alsof ze langzaam haar geheimen wilde onthullen of hem wilde waarschuwen.
Bram besloot dat hij geen archieven of boeken nodig had om te begrijpen wat de polder hem had laten zien. Hij kende dit land al zijn hele leven, elke sloot, elk rietveld, elke meander waar voorn of snoek zich schuilhield. De polder was voor hem geen geschiedenisboek, maar een levend wezen en nu had dat wezen tot hem gesproken. De volgende dagen ging hij, ondanks de onrust in zijn gedachten, weer naar het water met zijn vliegenhengel. Het werpen, het ritme van lijn en kunstvlieg, bracht hem rust. Toch voelde hij voortdurend de kist, verborgen thuis in een kast, als een schaduw die met hem meereisde. Op een avond, bij ondergaande zon, stond hij opnieuw bij de gespleten boom. Zijn vliegenhengel rechtop in zijn hand, plots een lichte trilling die uit het niets bezit nam van zijn top. Bijna had hij zijn hengel in het water gegooid toen het stopte. De trilling in de hengel vertelde hem iets waar hij naar moest luisteren. Bram knikte met zijn hoofd. Het water glinsterde koperkleurig, muggen dansten in zwermen, en ergens verderop sloeg een snoek kolkend naar een prooi. Bram legde zijn hengel neer en haalde de kist uit zijn rugtas. Hij keek naar de zwartgeblakerde stam, naar de open wond die nog steeds een vreemde warmte leek uit te stralen. Hij sprak zacht, alsof hij tegen het water sprak: “Jullie hebben me dit gegeven. Maar ik ben een visser, geen rover. Wat uit het land komt, hoort bij het land.” Voorzichtig zette hij de kist in de kloof van de boom. De metalen randen kraakten even, alsof ze zich verzetten, maar toen gleed het hout langzaam dicht. Niet helemaal de kloof bleef, als een litteken maar de kist was verdwenen, opgeslokt door de stam.
Op dat moment trok een zachte bries door het riet, en over het water gleed een krans van kringen, alsof een onzichtbare vis zich had laten zien. Bram glimlachte.
Hij voelde geen angst meer, alleen een stille verbondenheid. Vanaf die dag ving hij beter dan ooit. Niet omdat hij betere vliegen had, maar omdat hij in vrede stond met het water. De polder had hem beproefd en hij had gekozen terug te geven. Soms, als de lucht zwaar was en de geur van ozon over de velden hing, dacht hij aan de kist en de stemmen. Maar hij wist dat hij het juiste had gedaan. En zo werd Bram weer gewoon een vliegvisser in de polder. Met één verschil, hij kende nu het geheim van het land.
En dat geheim viste voortaan altijd met hem mee.
Hans Teunisse