De schaduw in de rivier
De lucht boven de Ardennen was loodgrijs toen hij het laatste stuk bos bereikte. Het pad naar de rivier was nauwelijks zichtbaar alleen wie jarenlang had gevist wist waar het begon en waar het ophield. Voor hem voelde het vertrouwd maar vandaag, om redenen die hij niet goed kon benoemen, voelde het bos anders. Alsof het luisterde.
Hij zette zijn rugzak neer bij de oever en keek naar het water. Normaal was de rivier helder, haast vrolijk, maar nu leek ze dikker, donkerder. Stromingen wrongen zich langs elkaar heen als zenuwachtige dieren. Hij kneep zijn ogen samen. De regen van afgelopen weken… dat zou het wel zijn.
Hij knoopte een bruine nymph aan zijn lijn en wierp. De vlieg landde zacht een kleine kring achterlatend, precies in de strook naast een diepliggende rots. Hij zag het meteen, een schaduw die zich bewoog. Een grote vis. Hij voelde een steek van opwinding, maar die werd plotseling verstoord door een geluid achter hem.
Krakende bladeren.
Niet een dier. Te zwaar.
Hij draaide zich om, maar het bos was leeg. Hij slikte, luisterde, maar hoorde niets meer. Alleen de rivier klotste tegen de oever. Hij besloot door te vissen, lachen om jezelf was ook een soort therapie, dacht hij. Maar terwijl hij zijn volgende worp maakte, bleef het gevoel hangen dat iemand hem observeerde.
De beet kwam onverwacht. De lijn zwiepte strak, de hengel boog gevaarlijk ver door. Wat hij aan de lijn had, was geen gewone forel. Het trok zó hard dat hij een stap naar voren moest zetten om niet te vallen. Het water voor hem begon te kolken. Toen gebeurde het. Een donker silhouet dook vlak achter de vis op, als een lichaam dat even onder water zweefde. Hij verstijfde. Een moment lang dacht hij dat zijn ogen hem bedrogen, maar toen het silhouet opnieuw opdook, besefte hij met ijzige zekerheid dat het geen vis was. Hij liet de lijn los. Het water werd onmiddellijk stil. Geen golfje, geen deining. Alsof er nooit iets was geweest.
Hij hoorde opnieuw het kraken van takken achter zich. Hij draaide zich om en zag dit keer wél iets, op de grond, half bedolven onder bladeren, lag een geel waarschuwingslint.
POLITIE – NIET BETREDEN
Zijn hart sloeg over. Hij wist dat er enkele maanden geleden een vermiste wandelaar was geweest in dit gebied… maar dat was kilometers verderop.
Hij bukte en pakte het lint op. De rand was gescheurd alsof iemand het had afgerukt. Toen voelde hij het. Een ademstoot. Koud. In zijn nek. Hij sprong naar voren, draaide zich om, hengel geheven als wapen. Niemand.
Maar het bos was niet meer stil. De wind leek woorden te fluisteren die hij niet kon verstaan. De rivier kabbelde niet langer… ze gromde.
Hij wilde weggaan, nu, meteen maar zijn blik viel op de oever enkele meters verderop. Tussen natte stenen lag een schoen. Een wandelschoen. Modderig, maar nog vrij nieuw. En erin…
Een naamlabel. Hij herkende de naam. Het was de vrouw die maanden geleden spoorloos was verdwenen. Hij slikte. Zijn gedachten gingen alle kanten op politie bellen, wegrennen, zoeken, hulp halen maar toen hoorde hij een nieuwe geluid.
Een stem. Zacht. Bubbelend. Komend uit het water. Hij verstijfde. Het was een vrouwenstem. En ze fluisterde zijn naam. Hij zette een stap achteruit. Zijn voeten trilden zo erg dat hij bijna struikelde. Het water recht voor hem begon opnieuw te bewegen, dit keer langzaam, ritmisch, alsof iemand naar de oppervlakte rees. En toen zag hij een gezicht. Bleek, vervormd, maar onmiskenbaar menselijk. Ogen die hem aankeken, lippen die zich bleven bewegen, terwijl er geen luchtbel ontsnapte.
Hij draaide zich om en rende, tussen de bomen door, struikelend over wortels, vechtend tegen takken die aan zijn jas trokken. Hij stopte pas toen zijn longen schreeuwden en de rivier slechts een vage echo was achter hem. Maar zelfs toen hij stilstond, hijgend, zweterig, bang, hoorde hij achter zich een zacht, slepend geluid. Voetstappen. Natte voetstappen. En een stem.
" je bent te laat…”
Hij draaide zich langzaam om.
En wat hij daar zag, zou hij nooit meer kunnen vergeten.
Deel 2
Hij draaide zich om, langzaam, alsof zijn nek vastzat in een ijzeren greep. Elke spier in zijn lichaam schreeuwde dat hij moest rennen, maar iets hield hem tegen. Misschien angst. Misschien nieuwsgierigheid. Misschien de fluisterende stem die nog steeds zijn naam vormde. Tussen de stammen van de sparren stond een gestalte. Dun, te dun. Druipend water liep in smalle straaltjes van haar kleren af, alsof ze zojuist uit de rivier was geklommen. Hij kon haar gezicht niet zien: haar haar hing als een zwarte sluier over haar ogen. Maar één ding zag hij wel.
De schoen die hij eerder vond… miste zij.
Hel… help…fluisterde ze.
Het klonk niet als een schreeuw om hulp. Eerder alsof ze hem wilde lokken.
Twijfel knaagde aan hem: misschien leefde ze nog? Misschien moest hij helpen? Maar zijn instinct brulde nee. Toen ze haar hoofd langzaam optilde, voelde hij zijn maag verkrampen. Het was een gezicht dat iets menselijks had gehad, ooit. Maar het was alsof het water het had willen terugnemen, de huid bleek en rimpelig, de lippen blauw, de ogen… die ogen ze waren open, maar glansloos. Alsof ze iets zagen wat hij niet kon zien. Je… liet me… vallen, fluisterde ze. Hij schudde zijn hoofd. Ik… ik ken je niet. Ik heb je niet.
De vrouw stapte naar voren. Haar beweging was vreemd, alsof haar gewrichten niet helemaal werkten zoals ze moesten. Op de grond liet ze een spoor van water achter dat zich als een dun riviertje door het mos wrong.
Je stond… aan de oever… toen ik riep… hij voelde hoe zijn adem stokte. Hij herinnerde zich niets. Hij was hier maanden geleden niet eens geweest. Maar de manier waarop ze sprak alsof ze zeker wist dat hij haar kende zette iets duisters in zijn hoofd in beweging.
Hij deed een stap achteruit, wilde draaien, wegrennen, alles… maar achter hem klonk een nieuwe stem. Een mannenstem. Laag. Hees.
Ze liegt. Hij verstijfde.
De vrouw voor hem zakte langzaam in elkaar, alsof iemand haar kracht wegzoog.
Hij draaide zijn hoofd. Aan de rand van het pad, half verborgen in de schaduw, stond een man in een donkere regenjas. Zijn gezicht was smal, met scherpe kaaklijnen, en zijn ogen waren diep in hun kassen verzonken.
Ze probeert je mee te nemen, zei de man kalm. Zoals ze mij probeerde mee te nemen. Hij voelde paniek door zijn borst jagen. Wie… wie bent u? De man negeerde de vraag. Hij keek naar de vrouw, die nu op handen en knieën kroop, haar natte haren als tentakels over de grond. Ze is niet meer wie ze was. Het water heeft haar… gevuld. Hij wilde wegrennen, maar de man hief zijn hand.
Als je nu rent, komt ze achter je aan. En dan kom je nooit uit dit bos. De vrouw hief haar hoofd op. Ze grijnsde nu. Een afschuwelijke, onnatuurlijke grijns die te breed was.
Hij heeft ongelijk… fluisterde ze…je hoort… bij ons…
Hij voelde zijn keel dichtknijpen. Hij keek naar de man. Naar de vrouw. Naar de donkere rivier die achter hen in de verte weer begon te ruisen. Wat moet ik doen? vroeg hij, zijn stem trillend.
De man glimlachte nauwelijks. Als je wilt blijven leven, moet je één ding doen. Iets wat bijna niemand durft.
Wat dan?” fluisterde hij.
De man wees naar de rivier.
Je moet terug. Zijn ogen werden groot. Naar het water? Waarom? Maar de man antwoordde niet meer.
Want de vrouw was verdwenen. En het geluid van snel naderende, natte voetstappen kwam nu van beide kanten tegelijk.
Deel 3
De voetstappen kwamen sneller, onregelmatig, als iets dat niet hoefde te ademen. Hij draaide wild om zich heen, maar zag alleen bomen, schaduwen en de natte afdrukken die zich in een cirkel om hem heen begonnen te sluiten. Ze komt dichterbij, zei de man zacht. Als ze je raakt, ben je verloren.
Hij voelde paniek, zijn hart in een ijzeren greep houdend. Waarom moet ik terug naar het water?” riep hij. “Wat is daar?” De man stapte naar voren, en nu was zijn gezicht duidelijk. Te bleek. Te strak. Alsof de huid niet helemaal van hemzelf was. Waar jij begon, zei hij. En toen. Waar zij eindigde.
De bosgrond begon te trillen, alsof iets groots eronder kroop. Het water van de rivier ruiste nu hoorbaar, zelfs van deze afstand. Een lage, pulserende toon vulde het bos alsof het water ademde.
Hij deed een stap achteruit, maar de natte voetstappen kwamen dichterbij. Heel dicht. Iets greep zijn enkel. Hij keek omlaag. De vrouw lag half onder een wortel, haar arm veel te lang uitgestrekt, vingers als bleke haken om zijn been geklemd. Kom terug… gromde ze, haar stem nu borrelend alsof ze sprak met longen vol water. Je was daar… toen ik zonk…
Hij trapte naar haar hand, maar haar grip bleef als ijs.
De man legde een hand op zijn schouder. Kijk goed, fluisterde hij. Hij keek.
En toen voelde hij het een flits van herinnering, scherp als glas. Hij aan dezelfde rivier, maanden geleden. Regen. Een schreeuw. Een vrouw in het water die om hulp riep terwijl de stroming haar naar beneden trok. Hij… die twijfelde. Hij stapte naar voren. Naar achteren. Te bang voor het kolkende water.
En toen, in een fractie van een seconde waarin angst sterker was dan menselijkheid
had hij niets gedaan.
De vrouw zonk. Hij hapte naar adem en viel op zijn knieën. Ik… ik wilde helpen… ik kon niet. Je liet me vallen, zei de vrouw. Niet boos. Niet verwijtend. Maar leeg. En nu ben ik hier. Het bos werd kouder. Het water riep. Letterlijk..De man knielde naast hem. Het water neemt wie het wil. Soms stervelingen. Soms hun schuld. Hij tilde zijn hand op en liet water van zijn vingers druipen. En soms ons.
Hij deinsde achteruit. U bent… geen mens. De man glimlachte schuin. Niet helemaal.
De grond barstte open tussen hen en de rivier, en een kronkelende stroom water schoot naar voren als een levende slang. De vrouw trok harder aan zijn enkel. Hij gleed richting het water, de modder onder hem zo glad als zeep. Hij schreeuwde, probeerde zich vast te grijpen aan wortels, takken, alles.
De man riep. Er is maar één manier om te eindigen jij kiest "of zij jou haalt, of jij die het water tegemoet gaat".
Hij keek naar de vrouw. Haar ogen waren nu veel meer menselijk, verdrietig, wanhopig. Maar ook vol pijn.
Hij kon wegrennen. Het bos in. Hij kon doen wat hij toen deed. Wéér niets doen.
Maar dit keer… voelde hij zijn benen onder zich spannen.
Hij rukte zijn enkel los, stond op, en rende richting de rivier.
De man lachte. Of huilde. Hij kon het niet zeggen.
Het water opende zich alsof het hem verwachtte. De stroming kolkte, maar er was een pad, een glinsterende strook, recht naar het midden van de rivier. Hij stopte aan de oever, ademde diep in, en sprong. Het water sloot om hem heen als een koude kaarsvlam die dooft. Geen geluid, geen adem, geen angst alleen dieper en dieper zwart. Hij voelde vingers om zijn arm, maar dit keer greep hij terug. Hij trok de vrouw naar zich toe, keek haar in de ogen.
Ik laat je niet nog eens vallen, fluisterde hij, zelfs al kon niemand hem horen.
Het water explodeerde in licht.
Toen hij zijn ogen opende, lag hij aan de oever. Het bos was stil. Zonlicht brak door het bladerdak. De rivier kabbelde als altijd, helder en onschuldig.
Geen man. Geen vrouw.
Geen voetstappen.
Alleen hij, druipend nat, zijn hengel naast hem.
Aan de overkant van de rivier stond een figuur. Een vrouw. Niet nat. Niet grauw. Levend. Ze glimlachte zacht, dankbaar of misschien was het een afscheid en loste langzaam op tussen de mist van de ochtend. Hij voelde een last van zijn schouders vallen.
Maar ook wist hij de rivier vergeet nooit. Hij stond op, pakte zijn hengel, en liep het bos uit.
Hoewel de lucht helder was, droeg de wind een fluistering mee. Kom hier niet terug, een tweede kans is nooit gratis.
H.Teunisse