Het Vliegvisvirus
Tom trapte met zijn sneaker tegen een blikje dat rinkelend over de stoep rolde en met een plons in de stadsvijver verdween. Hij had geen zin in huiswerk, geen zin in voetbal, zin in niets eigenlijk. De lucht hing zwaar boven de daken en het water lag grauw en stil. Hij zuchtte en schopte nog eens tegen een steentje — tot iets zijn aandacht trok. Aan de overkant van de vijver stond zijn buurman, meneer Van Loon. Een stille man met een grijze baard, altijd een beetje geheimzinnig en vriendelijk tegelijk. Hij hield een lange hengel vast, maar het was geen gewone hengel. De lijn zwiepte door de lucht in sierlijke bogen, ritmisch, precies als een dans. Zwiep, tik, terug, vooruit.
De lijn vloog in glinsterende lussen en landde zo zacht dat het water nauwelijks bewoog. Tom bleef staan. Wat doet u daar eigenlijk? riep hij. Van Loon draaide zich om en glimlachte. Ik vliegvis, Tom. Van Loon had zijn buurjongen uit zijn ooghoeken zien aankomen. Hij had ook gezien hoe Tom een blikje in het water schopte, Dus vroeg van Loon of hij dat eerst uit het water wilde gaan vissen, Tom keek wat bedremmeld en ging enigszins met tegenzin het blikje uit het water halen dat met de opening naar boven gericht in het water was blijven drijven. Toen hij het blikje er uit had liep hij ermee naar buurman van Loon. Goed Tom en houd er rekening mee dat dit blikje anders jaren op de bodem van de vijver was blijven liggen. Vliegen vangen? vroeg Tom verbaasd. Nee, grijnsde de man, vissen. Met iets dat op een vlieg lijkt. Hij haalde de lijn binnen en hield een klein haakje omhoog, versierd met iets van een veertje en een draadje dat in het licht glinsterde. Een kunstvlieg, zei hij. ‘Zelf gebonden. Geen aas, maar verleiding.
Tom keek ademloos toe hoe de man weer uitgooide. De beweging was vloeiend, natuurlijk, alsof hengel, lijn en mens één waren. Even later voelde Van Loon iets aan de lijn. Daar heb je er één! riep hij. Een zilveren flits brak het wateroppervlak een voorn, glanzend en levendig. De man hield hem even vast en liet hem toen weer voorzichtig terugglijden in het water.
Elke vis die je vangt, zei van Loon zacht, vertelt je iets over jezelf. Tom zei niets, maar hij voelde iets. Een tinteling diep vanbinnen, alsof er iets in hem wakker werd. De volgende ochtend was Tom vroeg op. De lucht was koel, de stad nog stil. Hij liep naar de vijver met een gevoel dat hij niet helemaal kon uitleggen. En ja hoor Van Loon stond er weer, alsof hij op hem had gewacht. Ik wist dat je zou komen, zei hij glimlachend. Hij haalde een tweede hengel tevoorschijn. Probeer maar eens. Tom pakte hem voorzichtig vast. Zijn eerste worpen waren rampzalig de lijn plakte, de vlieg kletste op het water, en één keer zat de haak zelfs in zijn jas. Van Loon lachte geduldig. Rustig, jongen. Het gaat niet om kracht, maar om gevoel. Voel de lijn, laat hem ademen. laat hem dansen. Langzaam begon het te lukken. De lijn vormde bogen, de vlieg landde zacht. En toen, plots een kringetje op het water. Tom sloeg aan. Zijn hart bonsde. De hengel boog en aan het eind van de lijn glinsterde een kleine voorn. Hij hield het visje even in zijn hand koel, glad, perfect. Toen liet hij het terug in het water glijden. Van Loon knikte goedkeurend. Nu heb je het te pakken, zei hij.
Het vliegvisvirus. En geloof me, daar is geen medicijn tegen. Tom lachte, maar voelde diep vanbinnen dat het waar was.
Een week later zat Tom in de schuur van, van Loon. De werkbank lag vol veertjes, haakjes en draadjes. Vandaag leer je een vlieg binden, zei Van Loon plechtig. Tom keek gefascineerd toe hoe de buurman met vaste vingers werkte een haakje in de klem, draad eromheen, een draadje rode wol werd het staartje, een strengetje van een pauwenveer werd het lijfje, en ten slotte wikkelde van Loon er een klein veertje op net achter het oog, een speciale knoop en klaar. Een vlieg binden, zei hij, is als toveren met draad. Je maakt iets dat leeft zonder te leven.
Probeer maar eens zei van Loon maak een vlieg die jij verzonnen hebt, Tom probeerde het. Zijn handen trilden, het garen brak, en de veertjes trokken scheef. Van Loon glimlachte. Iedere vlieg is een verhaal. De eerste hoort wat rommelig te zijn. Toen Tom klaar was, hield hij zijn creatie omhoog een klein, scheef ding met een rafelige staart. Hoe noem je hem? vroeg Van Loon. Tom dacht even na. De Stadsdans, zei hij trots.
Een paar dagen later stond de wind strak over de vijver. De lucht rook naar regen. Toch stonden ze er Tom en Van Loon klaar om de Stadsdans te testen.
Tom wierp. Nog eens. En nog eens. Niets. Tot de wind aantrok en een groot blad precies op zijn lijn waaide. Hij trok, het gras langs de vijver was glad plots verloor hij zijn evenwicht belande op zijn kont en gleed de vijver in! Van top tot teen in het water. Van Loon schoot in de lach en trok hem eruit. Welkom bij het echte vissen, zei hij grijnzend. Iedere visser moet één keer te water. Tom stond druipend aan de kant, zijn schoenen vol water. Maar toen hij zijn lijn ophaalde, voelde hij iets bewegen. Aan het eind van de lijn spartelde een zilveren voorn gevangen met de Stadsdans.
Van Loon keek trots. Je hebt hem niet gevangen, zei hij zacht. Je hebt hem overtuigd. Tom keek naar het visje, naar de vlieg die hij zelf had gemaakt, en voelde iets warms van binnen. Hij liet de vis voorzichtig terug in het water glijden.
Thuis legde hij de Stadsdans op zijn bureau, naast zijn schoolboeken. Hij keek naar het kleine, slordige vliegje en glimlachte. Hij wist dat hij het nooit meer kwijt zou raken de rust, de spanning, het dansen van de lijn boven het water, de stilte van wachten, het moment van leven tussen mens en vis. De woorden van, van Loon bleven in zijn hoofd hangen. Elke vlieg vertelt een verhaal. En elke visser schrijft er zijn eigen hoofdstuk bij. Tom keek uit het raam, naar de glinsterende stadsvijver in de verte. Een kriebel trok door zijn borst het vliegvisvirus had hem te pakken. En hij hoopte dat het nooit meer over zou gaan.
Hans Teunisse