De Sjakie en Het Geheim van de Polderkoning
De ochtend begon zoals zoveel ochtenden in de polder: grijs, stil en vol belofte. Een dunne mist kroop over het water, en ergens in de verte klonk het zachte klapperen van een reiger die opvloog. Perry stond al klaar, ademwolkjes in de koude lucht, zijn handen diep in de zakken van zijn oude vissersjas.
Hij keek naar het water. Een lichte rimpeling in de oppervlakte, een kringetje dat langzaam uitwaaierde — het teken dat er leven was. Hij grijnsde. “Ze zijn wakker,” mompelde hij. Aan zijn lijn hing iets bijzonders. Een streamer die glinsterde als het licht precies goed viel. Niet zomaar een streamer, maar De Sjakie zijn eigen creatie Het idee was ontstaan op een druilerige zondagmiddag in januari. De wind gierde om het huis, de regen tikte tegen het raam. Binnen zat Perry aan zijn bindtafel: een chaos van veren, draad, lijm en haakjes. Hij had al van alles geprobeerd. Zwarte streamers, witte, chartreuse, combinaties met ogen die leken te loensen niks ving écht goed. Tot hij die ene oude sigarenkist openmaakte waarin hij restjes bewaarde. Daarin lag het: een plukje oranje marabou, een sliertje zilverflash, en een klein gouden veertje dat hij ooit had gevonden in de binnen voering van zijn jas. Niemand wist hoe het daar terecht was gekomen. “Misschien van een engel,” had zijn vrouw ooit gelachen.
Perry pakte het veertje op, draaide het tussen zijn vingers, en begon te binden. Hij werkte geconcentreerd, alsof iemand zijn hand leidde. Een beetje bucktail, wat flash, een dunne rode kraag voor agressie en als laatste, dat gouden veertje, precies op de flank. Toen hij klaar was, hield hij de vlieg tegen het licht. Zo, zei hij zacht. Jij gaat vissen vangen.
En hij noemde hem met een grijns vol trots, de Sjakie.
Een week later stond hij bij zijn favoriete slootje achter het dorp. De lucht was staalgrijs, de wind lag plat. Perry wierp de streamer uit, liet hem even zinken, gaf een korte strip. De Sjakie bewoog als een gewonde prooivis, wiegend, verleidelijk.
Toen gebeurde het, een donderslag van water, een explosie van kracht de lijn spande, de hengel boog gevaarlijk diep. Oei, dat is er eentje! riep Perry, zijn hart bonzend in zijn keel. Na tien minuten gevecht gleed de snoek in het net. Een monster, breed als een plank, met een kop als een schop. 107 cm. Hij zette haar voorzichtig terug, keek hoe ze met een trage slag van de staart verdween, en grinnikte.
De Sjakie doet het, jongen. De Sjakie doet het. Vanaf dat moment was niets meer hetzelfde. Waar Perry ook ging, het kanaal bij de molen, de brede vaart langs de dijk, zelfs dat vergeten slootje achter het sportveld overal ving hij snoek. En niet zomaar snoek. Dikke, woeste vissen, met littekens en verhalen in hun schubben.
De dorpsvissers begonnen te fluisteren. Hij heeft iets speciaals, zeiden ze. Een geheime vlieg. Sommigen probeerden hem na te maken. Ze stonden bij de hengelsportzaak met lijstjes, marabou oranje, bucktail wit, flash silver. Maar wat ze ook bonden het was nooit helemaal goed. Er miste iets. Misschien het gouden veertje. Misschien het geloof.
Zijn vismaat John vroeg het hem op een dag rechtuit. Perry, wat is nou het geheim van die streamer van jou?
Perry keek hem aan, schonk koffie uit zijn thermos, en zei kalm, John, het geheim zit niet in de vlieg. Het zit in de visser.
Het was eind november toen het gebeurde. De lucht was loodzwaar, de rietkragen kraakten in de wind, en het water leek van staal. Perry stond aan een brede poldervaart die hij al jaren kende. Hij had al twee mooie snoeken gevangen, maar voelde dat er iets groters schuilde, ergens in de diepte. Hij castte De Sjakie, wind in de rug ver tot vlak onder een overhangende wilg. De streamer zonk langzaam weg, verdween in het troebele groen. Een paar korte strips… niets. Nog een. Toen, een trage schaduw. Een beweging, een dreiging. En toen WHAM!
Zijn hengel sloeg dubbel. De lijn gierde. Water spatte als glas. Perry plantte zijn voeten, voelde elke trilling door merg en been. Vijf minuten. Tien. Vijftien. Hij durfde nauwelijks te ademen. En toen eindelijk een reus. Een snoek van één meter en twintig, breed, krachtig, glanzend als een tank. Hij knielde bij het water, liet haar even rusten, en toen ze met een rustige slag van haar staart wegzwom, keek hij haar na alsof hij afscheid nam van een oude vriendin.
Dat was d’r eentje Sjakie! fluisterde hij. Wat een dame.
Tegenwoordig zie je Perry nog steeds langs de waterkant, al iets grijzer, iets rustiger. Soms vist hij niet eens meer, hij zit gewoon en kijkt. In zijn vliegendoos ligt nog altijd dat ene, licht versleten exemplaar van De Sjakie de originele.
Hij bindt er nog af en toe eentje voor een jonge visser die hij sympathiek vindt, maar nooit precies hetzelfde.
Het gouden veertje blijft bij mij, zegt hij dan met een knipoog. En ergens, diep in de polder, zwemt nog altijd die snoek van 120 cm. Misschien herinnert ze zich de glinstering van De Sjakie, misschien niet. Maar één ding is zeker zolang er mist hangt over de sloten, en de wind zacht fluistert door het riet, zal de naam Perry voortleven als de man die met zijn eigen Sjakie streamer de grootste snoeken van de polder ving.
Hans Teunisse